Deze Bosnische twintigers zijn geboren uit een oorlogsmisdaad

Tijdens de oorlogen in het voormalig Joegoslavië in de jaren negentig vond veel seksueel geweld plaats. De kinderen die daaruit zijn geboren, nu twintigers, hebben dagelijks te maken met de gevolgen van hun traumatische verwekking. ‘Op elk officieel formulier moet ik de naam van mijn vader invullen.’ 

‘Mijn moeder zei dat ik een reageerbuisbaby was’, vertelt Ajna Jusić (25). ‘Natuurlijk vond ik dat gek. Wie bedenkt er nu om alleenstaande moeder te worden tijdens een oorlog?’ Ze haalt haar schouders op. Jusić werd in 1993 geboren in een safehouse voor vrouwen en kinderen in Zenica in Bosnië-Herzegovina, tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië en de daaruit volgende burgeroorlogen. Na een jaar of vier verhuisden ze naar het dorp van haar moeder. ‘Dat was een moeilijke tijd. Ik had geen vrienden. Klasgenoten lachten me uit omdat ik geen vader had.’ Wanneer Jusić 7 is, ontmoet haar moeder haar huidige man en binnen een paar maanden trouwen ze. ‘Hij is het beste wat haar is overkomen.’  

Pas op haar 15e ontdekt ze wat haar moeder al die jaren voor haar verzwegen heeft. Wanneer Jusić zich inschrijft op de middelbare school, gebeurt er iets vreemds. ‘Op het formulier stond een kruisje bij de naam van mijn vader. De vrouw tegenover me vroeg waarom. Ik zei dat ik het niet wist en dat hij misschien overleden was.’ Het ivf-verhaal neemt Jusić dan al niet meer serieus. ‘Mijn moeder werd ineens onrustig en ze gebood me weg te gaan. Zij zou het gesprek wel overnemen.’ 

Ajna Jusić. © Jeanne Frank

Weggerend

Sindsdien dwalen de mogelijke verhalen over haar vader door Jusić’ hoofd. Als een leraar haar confronteert met de vraag wie haar vader is en klasgenoten daar vervolgens grapjes over maken, breekt ze. ‘Ik ben weggerend en niet meer teruggegaan. Diezelfde middag besloot ik het aan mijn moeder te vragen. Omdat ze niet thuis was, ben ik gaan zoeken tussen de papieren.’ Jusić’ stem wordt wat zachter en ze wendt haar blik af. ‘Eerst zag ik een rapport van een psycholoog over een posttraumatische-stressstoornis. Daarna kwam ik papieren van de politie tegen, waarin iets stond over verkrachting. Ik geloofde het niet. Totdat ik de documenten van het safehouse in Zenica opende en de beschrijvingen van de verkrachtingen las, met elk detail vermeld.’ 

Uit shock spreekt Jusić negen maanden amper met haar moeder: ‘Ik kon haar stem niet goed verdragen, omdat de woorden van de beschrijvingen dan meer gingen leven.’ De schooldirecteur besluit dat ze hulp nodig heeft en stuurt Jusić naar een psycholoog. ‘Ik moest er elke dag heen. Tot mijn moeder ineens in dezelfde kamer was. Ze huilde en ik wilde iets goeds zeggen, maar ik wist niet wát. Ik zei dat het me speet dat ik haar aan haar verkrachter deed denken. Mijn moeder zei dat ze bang was de waarheid te vertellen, omdat ze dacht dat ik haar dan zou verlaten. We dachten beiden dat we niet van elkaar hielden. Die dag hebben we eindelijk dit verhaal met elkaar gedeeld.’ Jusić gaat door met de therapie, en met succes: na jaren is de band met haar moeder erg sterk. Ze woont en werkt inmiddels in Sarajevo en heeft een vriendin.  

Sarajevo, hoofdstad van Bosnië en Herzegovina. Het Holiday-Inn-hotel was tijdens de oorlog uitvalsbasis voor buitenlandse correspondenten. © Jeanne Frank

Geadopteerd

Tijdens de Bosnische burgeroorlog zijn duizenden vrouwen verkracht, voornamelijk door Bosnische Serviërs en Serviërs. De schattingen lopen uiteen van 12- tot 50 duizend gevallen. Wanneer de vrouwen zwanger raakten, was abortus vaak geen optie, omdat ze gevangenzaten in kampen. Volgens onderzoeken zijn hieruit naar schatting tussen de enkele honderden en vierduizend kinderen geboren. Nu vragen deze kinderen – twintigers intussen – om erkenning en strijden ze voor hun rechten. Sinds Jusić als voorvrouw van de organisatie Vergeten kinderen van de oorlog de media opzoekt met haar verhaal, is er in Bosnië steeds meer aandacht voor dit onderwerp.  

Alen Muhić (26) wordt in 1993 in het ziekenhuis van Goražde geboren. Een medewerker kan het niet aanzien dat Muhić’ moeder haar baby afstaat en besluit Muhić te adopteren. Op dat moment is Goražde een Bosnische enclave die onder belegering van het Bosnisch-Servische leger staat. ‘Dankzij mijn adoptieouders heb ik een heel gelukkige jeugd gehad’, vertelt Muhić, die inmiddels als verpleger in het ziekenhuis werkt waar hij geboren is. ‘Maar op een dag riep iemand op het schoolplein dat ik geadopteerd was. Ik wist niet eens wat dat betekende. Dat moment zal me altijd bijblijven. Ik kwam huilend thuis en vroeg mijn ouders of het waar was. Ze hadden het me nooit willen vertellen, omdat ze niet wilden dat ik me slecht zou voelen.’ Muhić speelt met het pakje sigaretten in zijn hand. ‘Ik heb het toen even moeilijk gehad, maar juist ook door mijn ouders heb ik een manier gevonden mijn verleden te accepteren. Het is zoals het is en ik kan het niet veranderen.’ 

‘We spreken elkaars taal niet’

Ook Lejla Damon (26) is geadopteerd – door een Brits journalistenkoppel dat verslag deed van de weeshuizen in Bosnië. Ik ontmoet haar in een restaurant in Manchester, waar Damon studeert. ‘Toen ik 7 was, vertelden mijn ouders dat ik in Bosnië geboren was. Ik wist niet eens waar dat lag. Pas later hoorde ik dat ik door een verkrachting was verwekt.’ Op haar 19e besluit Damon haar biologische moeder te zoeken. ‘Binnen drie weken had de Bosnische ambassade in het Verenigd Koninkrijk haar gevonden. Twee jaar lang schreven we brieven naar elkaar, die door de ambassade vertaald werden.’ 

Het contact blijft wat oppervlakkig, totdat Damon via de stichting Vergeten kinderen Ajna Jusić leert kennen. Jusić stelt voor een ontmoeting met Damons moeder te organiseren. ‘Ik was heel zenuwachtig’, vertelt ze. ‘Mijn adoptieouders gingen mee. Hoewel ze me hier enorm in steunden, was het voor hen ook niet makkelijk. Er was zoveel emotie in de kamer. Mijn biologische moeder omhelsde me en op dat moment brak de muur af die altijd om me heen had gestaan. Het voelde als zo’n opluchting. Ik vind niet dat we op elkaar lijken en het voelt nog steeds alsof ze ver van me af staat. We spreken elkaars taal niet, ineens een band hebben kan niet.’  

Damon bezoekt haar moeder nu elke keer als ze in Sarajevo is en helpt haar financieel omdat ze geen maandelijkse toelage voor verkrachtingsslachtoffers krijgt. Ze schaamt zich, net als veel andere vrouwen, en heeft daarom geen uitkering aangevraagd. ‘Het is het minste wat ik kan doen. Zodat zij een beter leven kan hebben.’ Over haar eigen situatie is Damon positief, al heeft ze wel ‘een issue met mijn identiteit’. ‘Ik ben Bosnisch, maar spreek de taal niet eens. Soms vertel ik mensen meteen de waarheid: “Ik ben geboren in Bosnië en mijn moeder is verkracht.” En dan sta ik vervolgens de hele avond de ander te troosten omdat die het zo vreselijk voor me vindt.’ 

Sarajevo ziekenhuis
Het ziekenhuis waar Alen Muhić (zie hieronder) in 1993 geboren werd en waar hij nu werkt. Hij groeide op in een flat naast dit gebouw. © Jeanne Frank
Alen Muhić © Jeanne Frank

Nobelprijs voor de Vrede

Muhić heeft niet alleen zijn biologische moeder, maar ook zijn vader ontmoet. Dit gebeurde op initiatief van de regisseur Šemsudin Gegić. In 2004 maakte deze Bosnische Amerikaan een eerste film over Muhić. ‘Ik had het daarna eigenlijk al afgesloten, maar doordat die regisseur mij opnieuw benaderde werd ik nieuwsgierig.’ De ontmoetingen zijn vastgelegd in een tweede documentaire, An invisible child’s trap(2015). Daarin is te zien hoe het DNA van vader en kind matchen, maar hoe de vader blijft ontkennen dat hij de vader is. Wegens gebrek aan bewijs is hij uiteindelijk vrijuit gegaan. ‘Ik zal mijn moeder nooit veroordelen en ik zou ook niet weten wat ik in haar plaats gedaan had. Maar nu ik zelf vader ben, kan ik me niet voorstellen dat ik mijn kind ooit zou verlaten. En nadat ik mijn vader had ontmoet, besloot ik dat ik alles zal zijn wat hij niet is. Ik zie hem niet als een mens. Hij is een monster.’  

Jusić, Muhić en Damon zijn de enigen die met hun verhaal naar buiten zijn getreden. Jusić is inmiddels afgestudeerd psycholoog. Ze verzorgt trainingen om mensen te leren omgaan met hun traumatische verleden, zowel op emotioneel vlak als in het opkomen voor hun rechten. Ook spreekt ze op internationale conferenties, onder meer in 2018 bij de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede. Deze ging naar yezidi-activist Nadia Murad en gynaecoloog Denis Mukwege, vanwege hun strijd tegen seksuele oorlogsmisdaden. ‘Ik benadruk vooral het belang van therapie van moeder en kind samen’, vertelt Jusić. ‘Dit gebeurt te weinig, terwijl ik gemerkt heb hoe belangrijk het is om de relatie te herstellen.’ 

Nog dagelijks heeft Jusić te maken met de gevolgen van haar traumatische verwekking. ‘Toen ik me inschreef voor de universiteit moest ik bijvoorbeeld mijn vaders naam invullen. Ik schreef mijn moeders naam op, maar dat accepteerde de baliemedewerker niet. En dan moet ik dus aan een wildvreemde gaan uitleggen, met een rij wachtenden achter me, dat ik het kind van een oorlogsverkrachter ben. Elke keer herleef ik dat trauma en moet ik ervoor vechten dat ze mijn papieren toch aannemen.’  

Geen slachtoffers

‘Volgens de wet moet je op overheidsformulieren de naam van je vader invullen’, legt Vildana Dzekman uit, de advocaat die Vergeten kinderen helpt met wetgeving en lobby. ‘Daarnaast zijn kinderen van oorlogsverkrachters niet in de wet opgenomen als gemarginaliseerde groep. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld kinderen van oorlogsveteranen of mensen met een handicap. Hierdoor hebben ze geen recht op tegemoetkomingen zoals gratis gezondheidszorg en studiebeurzen. De organisatie vraagt de hulp van de internationale gemeenschap, om druk uit te oefenen op hun overheid en om kinderen van oorlogsverkrachters wereldwijd te steunen. Jusić: ‘De VN nodigen ons uit voor hun conferenties en luisteren naar ons verhaal, maar doen niets.’ Alen Muhić is een rustige man, maar hij toont nu zichtbaar frustratie: ‘Ze zien ons als slachtoffers, maar dat zijn we niet. We weten kennen rechten en daar vechten we voor.’

‘Er zit wel vooruitgang in’, zegt advocaat Dzekman. ‘Steeds meer politici willen met Ajna Jusić praten.’ Jusić is trots op wat ze al bereikt hebben. Het gaat haar niet zozeer om geld of verandering van de wet, maar om ‘erkenning dat we mensen zijn en dat we bepaalde rechten hebben, omdat ons onrecht is aangedaan.’ Jusić is een publiek figuur geworden, wat haar alleen maar meer motiveert. ‘Andere kinderen komen naar me toe met hun verhaal en voelen dat er eindelijk iemand is met wie ze hun gevoelens kunnen delen. Ik praat met moeders en vertel hun dat ze zich niet hoeven te schamen tegenover hun kinderen. Daar doe ik het voor.’ 

Gorazde
Straatbeeld van Goražde in Bosnië en Herzegovina. © Jeanne Frank

Seksueel geweld als oorlogsmisdaad

Verkrachting is een veelvoorkomende vorm van seksueel oorlogsgeweld. Tijdens de Joegoslavische burgeroorlogen (1992-1995) werden Bosnische vrouwen niet alleen verkracht om ze te vernederen, maar ook als middel tot etnische zuivering. Volgens het Verdrag van Genève is seksueel geweld een oorlogsmisdaad en het kan dus ook als zodanig bestraft worden. Het Joegoslaviëtribunaal heeft voor het eerst in de geschiedenis van de rechtspraak mannen veroordeeld voor het gebruik van verkrachting als oorlogswapen, maar omdat veel vrouwen (vaak uit schaamte) niet durven te getuigen, lopen er nog altijd veel daders vrij rond. Vrouwen die zich kenbaar maken kunnen een klein maandelijks bedrag krijgen van hun overheid. Dat kan overigens alleen als de verkrachting ook daadwerkelijk bewezen is. Slechts achthonderd vrouwen krijgen deze vergoeding. Recent is er ook meer aandacht gekomen voor Servische vrouwen die seksueel geweld hebben meegemaakt. Voor hen is er al die jaren weinig tot geen erkenning geweest.

Dit artikel verscheen in het mei 2019 nummer van Wordt Vervolgd, het magazine van Amnesty International.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *